This article (Internationalisation: more than labour market policy) was earlier published in Transfer the internationalisation magazine of Nuffic

Het is inmiddels twee jaar gelden dat oud-OCW topambtenaar Ferdinand Mertens in Transfer de kosten van ‘de Duitse student’ ter discussie stelde. Ik vond dat hij een punt had en ben blij dat dit in de afgelopen jaren heeft geleid tot een brede discussie en grondige analyse van de kosten en baten van internationale mobiliteit. Via het CPB en het Agentschap NL leidde dat uiteindelijk begin deze maand tot Make it in the Netherlands, een ontwerp-advies van de Sociaal-Economische Raad over de binding van buitenlandse studenten aan Nederland.

De SER heeft vaker verstandige dingen gezegd over het hoger onderwijs en internationalisering. In het rapport over arbeidsmigratie, in het advies over Europa 2020 en in het advies naar aanleiding van de Strategische Agenda van het Ministerie van OCW – steeds opnieuw gaf de raad het belang van internationalisering aan en noemde het aantrekken van (meer) internationale studenten als mogelijkheid om tekorten op de arbeidsmarkt tegen te gaan en de positie van Nederland en Europa in de wereld te verstevigen.

Het recente SER-advies kan dan ook geen verrassing genoemd worden. Zowel voor de huidige en toekomstige arbeidsmarkt als voor de kwaliteit van het hoger onderwijs kan de internationalisering bijdragen aan oplossingen. De instroom van internationale studenten levert volgens de Raad welvaartsgroei op, kwaliteitsverhoging van het onderwijs door peer-effecten en een hoogwaardige internationale kennisinfrastructuur. Dit alles maakt Nederland op zijn beurt weer aantrekkelijker als internationale vestigingslocatie. Hoewel de risico’s van verdringing en van braindrain ook genoemd worden, slaat de balans toch duidelijk positief uit. Ik verwacht dat veel van de Transfer-lezers het rapport zullen onderschrijven en zelfs omarmen.

Maar hoe kunnen we die positieve resultaten daadwerkelijk behalen? De SER adviseert de instroom van buitenlandse studenten te vergroten, vooral voor die sectoren waar er arbeidsmarkttekorten zijn, en het bindingspercentage te verhogen. Daarbij hebben zowel het bedrijfsleven en de overheid als de onderwijsinstellingen een verantwoordelijkheid. De adviezen aan de onderwijsinstellingen richten zich op de onderwijsportefeuille en de inhoud van het onderwijs, maar ook nadrukkelijk op hun ondersteunende infrastructuur. Oftewel: om praktische en administratieve diensten, huisvesting, sociale integratie, taalcursussen, alumni-relaties en loopbaanondersteuning.

Ik ben ervan overtuigd dat hier nog zeer veel winst te behalen is. Voor internationale studenten spelen deze zaken een grote rol bij het kiezen van een studie en studiebestemming. En ook hun eindoordeel over hun studie-ervaring wordt hierdoor sterk bepaald. Goede ondersteunende diensten zijn voor individuele instellingen én voor het Nederlands hoger onderwijs in het algemeen de beste denkbare internationale reclame. Ze zorgen voor een positievere studie-ervaring, hogere bindingspercentages en – misschien op de lange termijn nog wel belangrijker – voor een positiever beeld van Nederland als open en gastvrij kennisland.

Deze ondersteunende infrastructuur moet daarom internationaal ‘on par’ komen met andere belangrijke studentenbestemmingen. Nationale en lokale overheden kunnen nog veel processen stroomlijnen en instellingen kunnen hun ondersteuning verder professionaliseren. Voor de instellingen betekent het echter wel een fikse investering in menskracht en faciliteiten. Hier laten de “Berenschot overhead benchmarks” echter weer weinig ruimte. En we willen dit alles tenslotte ook niet afwentelen op de academische staf.

Wat mij, ondanks mijn positieve indruk van het rapport, zorgen baart, is niet eens zozeer het gegeven advies als wel de adviesvraag. Het kabinet heeft de SER gevraagd om vooral te kijken welke arbeidsmarktsectoren de grootste behoefte hebben aan internationale afgestudeerden en wat de verschillende spelers kunnen doen om die te binden aan Nederland. Een legitieme vraag, maar tegelijkertijd een illustratie van de toenemende nadruk op de economische voordelen op korte termijn.

De terechte discussie over de kosten en baten lijkt er in het Haagse steeds meer toe te leiden dat de andere, vaak minder definieerbare en meetbare, langetermijneffecten genegeerd worden. Internationalisering van het hoger onderwijs is meer dan arbeidsmarktbeleid. Het gaat, zoals de SER al aangeeft, ook om kwaliteitsbeleid. Maar het kent ook vele andere dimensies: politiek, cultureel, wetenschappelijk, enzovoort. Wat dat betreft is de gebruikte definitie van binding zeer beperkt. Het gaat er volgens de SER om “buitenlandse studenten na afloop van hun studie (tijdelijk) te behouden voor de Nederlandse arbeidsmarkt”.

Binding hoort echter om meer te gaan dan dat. Het gaat om het binden van internationale afgestudeerden aan Nederland, of dat nu in Nederland is of daarbuiten. Het gaat om toekomstige handelsrelaties, diplomatieke en politieke betrekkingen, wetenschappelijke links, culturele betrekkingen en natuurlijk ook om persoonlijke relaties.

Zelfs een land als Australië, waar de internationalisering primair benaderd wordt vanuit economisch perspectief – het aantrekken van betalende studenten en opvullen van skills shortages – lijkt nu meer belang te gaan hechten aan het verbreden en verdiepen van de kennis over en de relaties in de Aziatische regio. Laten we er in Nederland in elk geval voor zorgen dat de kortetermijndiscussie over kosten en baten niet de enige is die we over de onderwijsinternationalisering voeren

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *